Werken op de molen

De molenaarsstiel ging vroeger meestal van vader op zoon.
Molenaars worden tegenwoordig opgeleid door de vereniging “Levende Molens” die tweejaarlijks, op provinciaal vlak, een opleidingscursus organiseert.
De opleiding bestaat uit een uitgebreid theoretisch deel met een afsluitend examen en een stage van minstens 100 uren bij een ervaren molenaar. Na die stage kan de aspirant-molenaar een praktische proef afleggen om het molenaarsgetuigschrift te verkrijgen. In principe mogen enkel gediplomeerde molenaars zelfstandig malen op wind- en watermolens. Zij hebben immers voldoende vakkennis en kunnen de meteorologische omstandigheden inschatten.
Bij gunstig weder wordt er op de Heimolen gemalen tijdens het weekend.
Voor dat hij kan malen moet de molenaar de molen klaar maken :
Vanaf windkracht 3 beaufort, wat overeenkomt met een windsnelheid van 12 – 19 km/u, kan er gemalen worden met volle zeilen. Bij deze windsnelheid bewegen de kleinste twijgjes van de bomen en waait de vlag van Natuurpunt op. De meelproductie is dan nog zeer laag, om en bij de 30 kg/u voor tarwemeel.
Bij minder windkracht laten we de molen los draaien, er is dan geen steenkoppel ingeschakeld.
Bij meer windkracht moet de molenaar kunnen inschatten hoeveel zeil er moet voorgelegd worden. Zo worden de wieken bij 4 beaufort volledig opgezeild krijgen we een matige tarwemeelproductie van 100 kg/u. De windsnelheid is dan 20 – 29 km/u. De wind waait stof op en de vlag van Natuurpunt wappert. Als de windkracht toeneemt tot 5 beaufort, wat overeenkomt met een windsnelheid van 30 – 38 km/u, wordt met driekwart zeilen gemalen. De takken van de bomen komen dan in beweging. Zo kan de Heimolen, met de zeilen ter hoogte van de stormeinden opgerold, aan een grote tarwemeelproductie van 200 kg/u komen. Neemt de windkracht toe tot 6 beaufort, de wind waait dan krachtig met een snelheid van 39 – 49 km/u, dan wordt het zeiloppervlakte teruggebracht tot halve grootte. We zien dan gans de kruin van de bomen bewegen en de telefoondraden trillen. Het opgerolde deel van de zeilen wordt vastgelegd achter de puiten van de roeden. Bij zeer krachtige wind van 7 beaufort bedraagt de windsnelheid 50 – 61 km/u en wordt het gaan bemoeilijkt. De dennenbomen zwiepen heen en weer. Nu worden de zeilen opgerold tot aan de bovenste letsen. Het driehoekig zeildoek, dat enkel de bovenste scheden van het hekwerk bedekt, is dan ruim voldoende om een grote tarwemeelproductie van 200 kg/u aan te houden. Zelfs met volledig opgerolde zeilen kan bij deze windkracht een behoorlijke productie van 150 kg/u. gehaald worden. In onze streken is het gevaarlijk om bij deze windkracht nog te malen omdat we dan zwaar bewolkt weer hebben waarbij windstoten kunnen optreden. Bij stormachtige wind van 8 beaufort bedraagt de windsnelheid 62 – 74 km/u en wordt het gaan fel bemoeilijkt. Kleine takjes breken van de bomen. Er wordt niet gemalen omdat het gevlucht dan te snel zou draaien. Extra windstoten zouden dan het gevlucht op hol laten slagen, wat snel leidt tot catastrofes. Als er storm voorspelt wordt moet de molenaar zijn molen extra beveiligen door de stormplanken uit de wieken te halen. Bij de Heimolen wordt de onderste wiek met een ketting verankerd aan de grond zodat de wieken bij storm zeker niet kunnen beginnen te draaien.
Bij het opzeilen bedient de molenaar de vang van op de begane grond met behulp van het vangzeel. De wieken worden één voor één in de laagste stand gedraaid waarbij ze telkens weer tot stilstand gebracht worden door te vangen.
Het malen begint bij het lichten van de vangvlegel van op de meelzolder.
De loper wordt opgelegd van zodra het gevlucht enkele omwentelingen per minuut haalt. De lichting wordt bijgeregeld naargelang het toerental van de loper toeneemt of afneemt met de veranderende windsnelheid. Hoe groter het toerental hoe minder de licht en hoe dichter de loper over de ligger draait. De molenaar moet deze regeling in de Heimolen manueel uitvoeren met een touw om steeds dezelfde meelkwaliteit te krijgen. Als de stenen te dicht over elkaar draaien kunnen het meel en het steenkoppel verbranden, als ze te ver van elkaar draaien wordt het graan te grof gemalen.
Een andere regeling die bij iedere nieuwe lading graan wordt uitgevoerd is de graantoevoer in het kropgat. De helling van de schoen wordt met behulp van de graanpees van op de meelzolder ingesteld afhankelijk van de graansoort. Zelfs de vochtigheid van de korrels speelt hierbij een rol.
Tarwekorrels zijn hard, rond en glad waardoor ze gemakkelijk uit de schoen schuiven. De helling wordt daarom minder groot ingesteld als voor bvb. gerst. Gerstekorrels zijn langwerpig, zachter en minder glad omdat ze worden omsloten door het kaf.
Tijdens het malen moet de molenaar het weer observeren door de ronde kijkgaten in het schuddeberd. Bij normale weersomstandigheden varieert de windkracht tussen de 3 en 4 beaufort en zijn er volle zeilen voorgelegd. Maar als er cumuluswolken opdagen kunnen er windstoten van 5 beaufort en meer opsteken. Dan moet de molenaar het gevlucht tijdig kunnen stilleggen om de molen te vrijwaren van schade.
Als de wind sterker wordt moet er min of meer afgezeild worden om het toerental van het gevlucht te beperken. Op de Heimolen wordt er gemalen met een maximaal toerental van 80 einden; dus tot 20 toeren per minuut van het gevlucht. Door de overbrengingsverhouding tussen het vangwiel en de lantaarn draait de loper tegen ongeveer 100 toeren per minuut. Enkel ervaren molenaars kunnen bij wispelturige wind op de Heimolen malen aan de maximale capaciteit en met een constante meelkwaliteit door voortdurend te regelen aan het gaande werk. Zo halen ze 200 kg/u voor tarwemeel en 250 tot 300 kg/u voor gerst of haver.
Regelmatig moet de molenaar tijdens het malen ook nog het luihaspel bedienen om nieuwe graanzakken en volle meelzakken te luien tussen de begane grond en de steen- of meelzolder. Klanten brengen tarwe, rogge, gerst, spelt, triticale, haver en maïs, en nemen meel mee. Het boekweit dat vroeger veel geteeld werd zien we nog raar of zelden op de molen. Na een viertal uren gemalen te hebben zit de werkdag van de molenaar er op en wordt de Heimolen stilgelegd. Het meel wordt gewogen en klaargezet voor de klant. Vroeger mocht de molenaar uit elke zak vier scheppen meel halen. Nu rekenen we één Euro per 40 kg. meel.
Voordat de molen wordt afgesloten worden de zeilen opgerold en vastgelegd rond de roeden. Dit gebeurt met een eigen ontworpen zwengelstok. De stenen van het ingeschakelde steenkoppel worden opgelegd. Er wordt een opgevouwen graanzak in de schoen gelegd dit het uitschuiven van het graan moet beletten. De keervang wordt in het vangwiel geschakeld. De kijkgaten worden afgedicht met de deksels. De vangreep wordt opgerold aan de klamp op de meelzolder. De molen wordt verkruid tot hij met het gevlucht naar het westen staat, de overheersende windrichting. De loopschoren aan het einde van de staart worden tegen de grond gelegd zodat de molen door de wind niet verkruid kan worden. Tenslotte wordt de onderste wiek met de ketting vastgelegd en geaard zodat het gevlucht als bliksemafleider werkt voor de molen.
De molenaars van de Heimolen verwerken zo elk jaar om en bij de 5 ton graan.
Dit is niets vergeleken met wat de molenaars vroeger maalde om den brode.
Als het weer het toeliet maalden ze 20 ton op twee weken tijd. Daarna was het steenkoppel aan een scherpbeurt toe. Dus, in het hoogseizoen moest om de veertien dagen het steenkoppel uit elkaar gehaald worden om het scherpsel in de loper en de ligger bij te kappen. Dit scherpen gebeurt met bilhamers, geharde stalen houweeltjes waarmee de groeven uitgehouwen worden. Tot 20 bilhamers worden botgekapt om een steenkoppel te scherpen. Vroeger reisden de scherpers van molen tot molen om deze zware karwij uit te voeren. Het uit elkaar halen, het scherpen en het terug in mekaar steken van één steenkoppel vergt twee dagen werk. De meeste windmolens hebben zo twee en sommige drie steenkoppels. Er zijn nu geen rondtrekkende scherpers meer.
De molenaars van de Heimolen voeren deze karwij om de twee jaar zelf uit.
Ook staan ze in voor de houten constructie van het gaande en staande werk. Kleine herstellingen worden zelf uitgevoerd. Een staakmolen is het oudste type windmolen en daarom ook het meest onderhevig aan slijtage. Het malen met dit type molen is het meest arbeidsintensief, maar de molenaars zouden voor geen geld willen ruilen met hun collega’s die werken op modernere molens.